Het ontwaken van Han van den Boogaard
Wat ik ‘zag’ was een oneindige, donkere ruimte, waarin her en der lichtpuntjes oplichtten en weer uitdoofden. Wat ik tegelijk met het zien van dit beeld begreep, was dat het universum naar zichzelf kijkt door mijn ogen. Onze hersenen, zag ik in één enkel ogenblik, zijn niets anders dan een soort zenuwuiteinden met behulp waarvan het universum in staat is zichzelf te zien en te begrijpen. Dat betekende dat ik, net als alle andere mensen, in feite het universum zelf ben dat met behulp van de zintuigen indrukken van zichzelf opdoet.
Niets had me voorbereid op de verlatenheid van de bergtop in de Himalaya die ik in een vlaag van ondoordachtzaamheid had beklommen. Ver weg beneden me slingerde zich een rivier door een diep dal. De berg Manaslu rees als een onmetelijk grote, witte toren boven alles uit. Hij was heerser over het landschap en zo dominant aanwezig dat het leek alsof ik hem had kunnen aanraken als mijn armen wat langer waren geweest. Een paar gebedsvlaggen vormden de enige aanwijzing dat hier ooit eerder mensen waren geweest. De gerafelde doeken maakten een klapperend geluid zodra de wind er langs waaide. Ik leek doelloos rond te drijven in een zee van stilte. Ik zat op een rots en keek alleen maar.
Langzaam maar zeker begon de stilte bezit van me te nemen. De leegte om me heen verspreidde zich binnenin me. Ik werd zo leeg en stil van binnen dat ik ook tegen mijzelf niets meer te zeggen had. Er was alleen nog berg en lucht en sneeuw en wind. Het gevoel van een persoonlijk bestaan was verdwenen.
Na terugkomst uit Nepal ging ik toch weer op zoek naar ervaringen die zich konden meten met die in de Himalaya. Ik las alles wat los en vast zat en stelde me voor dat de schrijvers van al die boeken tijdens het schrijven een ruimte en een vrijheid ervoeren die te vergelijken was met de ruimtelijkheid en de vrijheid die ik in de Himalaya had ervaren.
Maar hoe meer ik trachtte mijn hart en ziel op papier te gooien, hoe meer ik tot uitdrukking trachtte te brengen wat ik werkelijk belangrijk vond in het leven, des te meer werd ik me bewust van mijn pijnlijke ontoereikendheid. Ik had alleen de beschikking over woorden, maar die leken me eerder sprakeloos te maken. Ik voelde me vastzitten in een gesloten circuit van betekenisarmoede, terwijl ik juist dingen trachtte te beschrijven die buiten de begrenzing van het denken vielen. Ik las over Jan Arends, die op de dag van de presentatie van zijn tweede dichtbundel uit het raam van zijn appartement sprong. Arends schreef:
Een hand voor mij
is witter dan een bloem
en het is waar
dat woorden
mij vreesachtig maken
……………..
Ik heb nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn
Weer teruggekeerd in de veiligheid van mijn vertrouwde bestaan begon ik steeds gevoeliger te worden voor de pijn die Arends had beschreven. Ik keek om me heen en zag hoe angst de natuurlijke, intuïtieve intelligentie van de mensen om me heen uitholde.
In een gedicht van T.S. Eliot las ik: “We zijn holle mensen, opgezette mensen, leunend op elkaar”. Ik was onthutst door mijn eigen kwetsbaarheid. Wanhoop lag op de loer achter iedere straathoek. Het Stralende, het goddelijke, was een abstract en onbereikbaar doel geworden, een ongrijpbare herinnering aan een andere tijd en een ander ik. De ene gedachte overstemde de volgende al vóór hij goed en wel te horen was geweest, en gezamenlijk vermorzelden al die gedachten elke gemoedsrust die nog in me zat.
Tot ik op een dag in het gat tussen twee gedachten viel. Ik was onderweg naar de bovenste verdieping van het huis dat ik in die tijd met nog zeven andere bewoners deelde. Ik liep naar boven om een stuk gereedschap van een van mijn huisgenoten te lenen. De ruwe houten treden van de trap waren versleten door het vele gebruik, en sommige kraakten op hun eigen karakteristieke wijze zodra ze betreden werden. Op de plaats waar de trap een draai maakte viel er een beeld bij me ‘binnen’. Ik dacht op dat moment aan niets bijzonders, en het gat tussen die gedachte en de volgende was waarschijnlijk groter dan gebruikelijk – zo groot in elk geval dat er ruimte genoeg was voor een beeld dat zo pregnant en veelomvattend was dat het me begon te duizelen en ik de trapleuning vast moest grijpen om niet naar beneden te vallen.
Wat ik ‘zag’ was een oneindige, donkere ruimte, waarin her en der lichtpuntjes oplichtten en weer uitdoofden. Wat ik tegelijk met het zien van dit beeld begreep, was dat het universum naar zichzelf kijkt door mijn ogen. Onze hersenen, zag ik in één enkel ogenblik, zijn niets anders dan een soort zenuwuiteinden met behulp waarvan het universum in staat is zichzelf te zien en te begrijpen. Dat betekende dat ik, net als alle andere mensen, in feite het universum zelf ben dat met behulp van de zintuigen indrukken van zichzelf opdoet.
Om de een of andere reden was ik aanvankelijk niet in staat de veelomvattendheid van dat inzicht werkelijk tot me door te laten dringen. Intuïtief had ik de onmetelijkheid van mijn Zelf, het Zelf dat ik vergeten was, in dat ene beeld herkend. Dat beeld bleef weliswaar elk moment oproepbaar omdat het zich onwrikbaar had vastgezet in mijn geheugen, maar mijn denkbeeldige ik, waarvan ik gezien had dat het in feite niet bestond, bleek toch niet in staat zijn eigen fictieve aard te accepteren.
Slechts langzaam stabiliseerde de helderheid van dat ene moment zich tot de onwankelbare zekerheid dat alleen dat Ene, dat zichzelf herkend had als universeel Bewustzijn, werkelijk bestond. Ik besefte dat de Stilte waar ik in was gevallen nooit te verstoren was.
Terugkijkend op de ervaring in de Himalaya realiseerde ik me dat geen enkel landschap in staat zou zijn een vergelijkbare bewustzijnstoestand op te roepen, eenvoudigweg omdat die bewustzijnstoestand een manifestatie van mijzelf was geweest.
De grote lege ruimte op de bergtop was een volmaakte weerspiegeling geweest van de ruimte binnenin me. Er was een deur opengegaan en de Stilte was hoorbaar geworden. Tegelijkertijd begreep ik dat wat je ook doet, welke vorm die innerlijke ruimte ook aanneemt, je wezen, Bewustzijn, nooit verandert. Alles gebeurt spontaan. Je kunt niets doen, behalve misschien je bewust worden van de plek waar je altijd bent. En die plek hoeft niet gezocht te worden, want je kunt er nooit vandaan.
