Ontwaken Rupert Spira

Eerste verhaal

(…)

Die momenten van ‘ja, het is duidelijk, er is helemaal geen afzonderlijke entiteit’ stapelen zich langzaam maar zeker op en worden steeds bepalender. Het wordt steeds duidelijker, en de afzonderlijke entiteit wordt steeds zwakker. Zo kan het gaan, en zo gaat het meestal ook, denk ik. Slechts af en toe wordt het helder gezien en verdwijnt de afzonderlijke entiteit in één keer voorgoed.

Dat zijn de spectaculaire verhalen.

Ja, en meestal ook de verhalen die we te horen krijgen, want het zijn mooie verhalen. Dan kun je het nog eens ergens over hebben. Maar als het heel rustig gebeurt, bijna zonder dat je het zelf in de gaten hebt – en het kan gebeuren zonder dat het denken het herkent – valt er niet zoveel over te zeggen. We merken alleen maar dat we vrede voelen en tevreden zijn. We voelen geen weerstand meer, en onze relaties krijgen een soort lichtheid. Pas later gaat het denken zich er weer mee bemoeien en de ervaring herinterpreteren, vergelijken met hoe de dingen daarvóór waren.

Vond in jouw geval het vinden van je ware natuur in één keer plaats, of ging het geleidelijk?

Van jongs af aan had ik een diepe intuïtie dat de dingen volkomen anders zijn dan ze lijken. Toen ik ongeveer vijftien was, begon ik Shankaracharya te lezen en las ik een boek met gedichten van Rumi. Ik dacht: dat is gek, ik weet niet wat het betekent, maar het is zo mooi. Waar gaat dit over? Waar hebben zij het over? Het werd niet door het denken herkend, maar mijn hart zei ‘Ja! Dit klopt, dit is wat ik zoek!’ Toen dacht ik: waar kan ik hier nog meer over te weten komen? Die gedachte kwam gewoon op, ik heb daar niet voor gekozen. Ik had net zo goed kunnen denken: ‘O, dat is mooi’, het boek dicht kunnen slaan en over kunnen gaan tot de orde van de dag. Maar er is niemand, geen entiteit, die daar controle over heeft. En toen kwam van het een het ander.

Ik las Nisargadatta, en uiteindelijk mondde het uit in de ontmoeting met mijn leraar, Francis Lucille. Ook daar heb ik helemaal niet voor gekozen. Ik ging naar Amerika om Robert Adams op te zoeken, een Amerikaanse leraar, en toen bleek dat die net twee dagen voor mijn aankomst was overleden. Net voordat ik weer terug naar huis ging, gaf iemand me een stukje papier, een foto van Francis met één vraag en één antwoord. Ik las het en dacht: ‘O, dat is interessant’. Ik stopte het briefje in mijn zak en dacht er verder niet meer aan. Kort daarna kwamen er een paar vrienden bij mij logeren, en een van hen noemde zijn naam, en de gedachte kwam op: ‘Die man wil ik wel eens ontmoeten’. Twee maanden later stond ik met Francis te praten in zijn keuken.

Toen kwamen er heel snel momenten waarin de werkelijkheid helder gezien werd. Ik zal een voorbeeld geven. Ik zat in satsang met Francis in Californië, kort nadat ik hem ontmoet had, en ik hoorde een hond in de verte blaffen terwijl hij het had over de illusie van afgescheidenheid en afstand. Ik zei tegen hem: “Is het niet duidelijk dat dat geluid aan de andere kant van het dal plaatsvindt, dat die hond zich verderop bevindt en niet hier?’ Hij antwoordde: ‘Leg je handen eens op het tapijt.’ Ik plaatste mijn handen voor me op het tapijt, en toen zei hij: ‘Waar bevindt die gewaarwording zich nu?’ En op dat moment wist ik: ‘Ja, die vindt plaats in mij! Wat ik ook mag zijn, wat dat ‘ik’ ook moge zijn, die gewaarwording vindt binnenin plaats.’ Toen hoefde ik nog maar één stap te zetten. Als die gewaarwording die we ‘tapijt’ noemen binnenin plaatsvindt, waar vindt dan de gewaarwording die we ‘hond’ noemen plaats? En toen (klapt in zijn handen): ‘Ah, ja!’ Toen moest ik lachen. Ik deed mijn ogen open en ik lachte. Het was zo ontzettend duidelijk dat geluiden in mijzelf plaatsvinden, wat dat ‘zelf’ dan ook moge zijn. Het denken gelooft dat ‘ik’ me hier in mijn hoofd bevindt en dat de hond zich daar ergens in de buitenwereld bevindt, maar de feitelijke ervaring is dat geluid net als alle andere dingen in mijzelf plaatsvindt. En als alles in mijzelf verschijnt, waar zou het dan nog meer uit kunnen bestaan dan uit mijzelf? Er zit niets in mij behalve mezelf waaruit ik zou kunnen bestaan!

Dat was een moment van volkomen helder zien. In de beginjaren, toen ik mediteerde en Ramana Maharshi en Nisargadatta bestudeerde, voelde ik intuïtief aan dat het waar was wat ze zeiden, maar het was niet mijn eigen ervaring geweest. Maar toen, op dat tijdloze moment, was er het gevoel: ‘Ja, het is waar!’

Francis liet het je zelf ontdekken.

Het enige wat hij vroeg was: waar vindt die gewaarwording plaats? En zelfs als Boeddha zelf was verschenen en me had gezegd dat de dingen buiten mezelf plaatsvinden, zou ik nog gezegd hebben: dat kan best, maar voor mij is het binnenin. Zo zeker was ik daarvan. Dus toen alle oude gewoonten van denken en voelen namens de afzonderlijke entiteit weer terugkwamen, hoefde ik alleen maar terug te gaan naar mijn ervaring en van daaruit weer opnieuw te beginnen.

Ik had de sleutel gevonden, en met die sleutel onderzocht ik al mijn ervaringen, en op den duur bleken alle ervaringen binnenin plaats te vinden en alleen uit mijzelf te bestaan, niet mijzelf’ als lichaam of geest, maar mijn Zelf, die lichtende aanwezigheid van Bewustzijn. En eigenlijk ook niet binnenin, want Bewustzijn heeft geen binnen- en buitenkant. Alles bleek die tijdloze, plaatsloze aanwezigheid van Bewustzijn te zijn die ik zo goed ken als mijzelf.

Maar het kostte ogenschijnlijk nogal wat tijd heel mijn ervaringswereld aan dit inzicht aangepast te krijgen. Het was me duidelijk geworden dat het Bewustzijn dat ik ben zich nergens bevindt en dat het niet geboren is en ook nooit zal sterven. Maar ik voelde me nog steeds begrensd in plaats en tijd. Die tegenstrijdigheid – denken dat ik niet aan plaats gebonden Bewustzijn ben, en toch het gevoel hebben op een stoel te zitten – was onverdraaglijk. Dat was een ervaringsstuk dat nog niet in mijn inzicht geïntegreerd was. Dat betekende niet dat mijn inzicht onoprecht of onecht was. Ik wist vanuit mijn eigen ervaring dat het waar was, maar niet elk aspect van mijn voelen en waarnemen had zich automatisch en onmiddellijk aan dat inzicht aangepast. Uit interesse, uit liefde, uit nieuwsgierigheid onderzocht ik mijn gewaarwordingen en waarnemingen – dat wil zeggen, van het lichaam en de wereld – steeds diepgaander, tot ook die op den duur oplosten in dat inzicht.

Maar daar kun je niet voor kiezen. Dat moet spontaan gebeuren, net als alle andere dingen.

Ik heb nergens voor gekozen. Keuzes worden gemaakt, maar er is niemand die kiest. Alles verschijnt, net als het weer – zonder dat je er voor kiest!

Tweede verhaal

Kunt u een korte feitelijke biografie geven van uw leven tot de leeftijd van 16 jaar?

Ik kom uit een grote, hechte familie. Mijn beide ouders zijn aardig en liefdevol en gaven alles wat ze konden, op hun heel verschillende manieren, aan hun kinderen. Mijn jeugd was in wezen gelukkig en vrij.

Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik zes was en we woonden bij mijn moeder in Hampshire. Maar ik zag ook veel van mijn vader. Mijn moeder is excentriek, artistiek en heeft een diepe interesse in spirituele zaken; mijn vader meer afgemeten en conventioneel. Van beiden heb ik veel geleerd.

Op je 16e begon je te mediteren. Was er iets specifieks – een gebeurtenis misschien – dat zoiets veroorzaakte?

Op 15-jarige leeftijd raakte ik ontgoocheld over het leven waarop mijn wetenschappelijke opleiding me voorbereidde. Tegelijkertijd zag ik een tentoonstelling van het werk van Michael Cardew, die mijn verbeelding meer prikkelde dan ik eerder had gezien. Ik begon ook Rumi en Shankaracharya te lezen, wat het gevoel deed ontwaken van een geheel nieuwe mogelijkheid in mij.

U zegt dat u onder andere Rumi, Gurdjieff, Ouspensky, Krishnamurti, Ramana Maharshi, Nisargadatta Maharaj en Shankaracharya begon te lezen.

Op de een of andere manier had ik de diepe intuïtie dat wat ik aan het lezen was, waar was. Hun woorden resoneerden diep in mij en wekten een intens verlangen op om zelf te weten waar ze het over hadden.

Je zegt dat je carrière wilde maken in de wetenschap, maar vond dat dit niet de juiste weg was. Waarom was dat? Wat was er aan wetenschap waarvan je voelde dat het je niet aansprak?

Het was niet zozeer een afwijzing van de wetenschap als wel een aantrekking tot kunst. Kunst leek mijn hele wezen te betrekken, niet alleen mijn intellect. Ik had het gevoel dat kunst de middelen bood om de diepste werelden van ervaring te verkennen en vervolgens uit te drukken op een manier die de wetenschap niet kon.

Je ging naar de kunstacademie. Was er een bepaalde discipline die u inspireerde – vermoedelijk aardewerk en keramiek – en waarom?

Ik zag voor het eerst het werk van Michael Cardew en later stukken uit de vroege keramische tradities van China, Korea, Japan en Perzië. Op dat moment was mijn reactie instinctief en onuitgesproken, gewoon een onmiskenbaar ‘Ja’ vanuit het diepst van mijn wezen.

Deze objecten waren als verdichtingen van intelligentie, liefde en schoonheid. Ik zou uren in musea doorbrengen om ze te bekijken. Soms voelde ik mijn lichaam voor hen oplossen. Het was precies dezelfde ervaring die ik vele jaren later had met mijn leraar in satsang.

Je hebt een aantal jaren doorgebracht bij de Study Society, die is opgericht door dr. Francis Roles, onder leiding van HH Shantanand Saraswati, de Shankaracharya van het Noorden. Welke filosofie/lering heb je daar geleerd en hoe was dat nuttig?

Toen ik bij The Study Society aankwam, werden de laatste overblijfselen van Ouspenky’s leer naar buiten gebracht ten gunste van de Shankaracharya’s Advaita Vedanta, die werd beschouwd als de bron van Ouspensky’s leer.

Ik verdiepte me in het onderwijs en leerde ook Gurdjieff’s Movements and the Mevlevi Turning – prachtige, contemplatieve bewegingspraktijken. Deze leringen waren mijn thuis – ik leefde erin en zij leefden in mij.

(………….)

Tijdens deze periode van je leven, zeg je dat je een model van de waarheid had en dat er toen een leven was (relaties, een gezin hebben, een inkomen verdienen, enz.). In feite was er een splitsing tussen hen. Kun je daar meer over vertellen?

Mijn modellen waren de grote wijzen uit voorgaande tijdperken en vreemde culturen zoals Ramana Maharshi, Nisargadatta en Rumi, en een tijdlang zag ik de culturele uitingen van hun begrip aan voor de waarheid zelf.

Ik voelde dat ik me van de wereld moest afkeren om toegang te krijgen tot deze waarheid. Deze houding is verankerd in sommige traditionele leringen. Voor velen van ons wordt het geloof en gevoel dat het ‘ik’ is, het lichaam/de geest die de wereld kent, in eerste instantie vervangen door het ervaringsgerichte begrip dat ‘ik’ het getuige-bewustzijn is dat zich bewust is van het lichaam/de geest/de wereld .

Om dit duidelijk te zien, kan het nodig zijn om lichaam/geest/wereld als het ware tijdelijk op een schijnbare afstand te plaatsen om ervaringsgericht vast te stellen dat wij de getuige zijn en niet datgene waarvan wij getuige zijn. Voor veel mensen, en ik was er een, is deze positie van de getuige een belangrijke stap en verankert het de aanwezigheid en het primaat van Bewustzijn.

Deze positie is ook verankerd in sommige monastieke tradities waar de wereld en zelfs het lichaam wordt ontkend om zich te concentreren op de aanwezigheid van Bewustzijn.

In deze positie is er echter nog steeds een subtiel vermoeden van dualiteit tussen het waarnemende ‘ik’ van Bewustzijn en het waargenomen object, de ander of de wereld. Dit onderscheid verdwijnt soms op natuurlijke wijze in de loop van de tijd of kan verdwijnen als gevolg van verdere verkenning van ervaring. Hoe dan ook, het resultaat is de totale verzadiging van het lichaam/de geest/de wereld met Bewustzijn. In feite was het altijd al zo, maar dat wordt nu diepgaand begrepen, en daadwerkelijk gevoeld. Daardoor wordt het lichaam, de geest en de wereld niet langer beschouwd of gevoeld als gevaarlijk of bedreigend, en dan kunnen ze weer volledig omarmd en aanvaard worden.

En toen ontmoette je Francis Lucille. Hoe heeft hij je geholpen?

Iets aan onze ontmoeting maakte duidelijk dat wat ik ben altijd aanwezig is en zonder grenzen of locatie. Als neveneffect van deze ontdekking bleek de ‘ik’ die hulp zocht niet te bestaan.

Zou je zeggen dat je zelfgerealiseerd of verlicht bent, bij gebrek aan een betere manier van uitdrukken?

Zowel het antwoord ‘Ja’ als het antwoord ‘Nee’ zou de aanwezigheid veronderstellen van iemand die al dan niet verlicht is. Bij afwezigheid van zo iemand blijft alleen het Licht over dat alle schijnbare dingen verlicht. In feite ‘blijft’ het niet in de tijd. Men realiseert zich dat het de altijd aanwezige realiteit van alle ervaringen is.

Wat betekent het om zelfgerealiseerd/verlicht te zijn?

Deze woorden kunnen met verschillende betekenissen worden gebruikt. De betekenissen waarmee ik ze gebruik zijn als volgt:

Verlicht zijn betekent jezelf kennen als Bewustzijn en weten dat dit Bewustzijn altijd aanwezig is en zonder beperking of locatie.

Zelfgerealiseerd zijn betekent denken, voelen en handelen in overeenstemming met dat ervarend begrijpen.

Verlichting is onmiddellijk, hoewel het misschien niet in één keer komt. Zelfrealisatie neemt schijnbaar tijd in beslag en omvat de geleidelijke ontbinding van alle oude gewoonten van denken, voelen, handelen en relateren namens een afzonderlijke entiteit en, als gevolg daarvan, de herschikking van de geest, het lichaam en de wereld met het ervaringsgerichte begrip van ons Zelf, Bewustzijn, als de enige getuige en substantie van alle schijnbare dingen.

Waarom ben ik niet zelfgerealiseerd/verlicht?

Juist vanwege die vraag. Met die vraag veronderstel je dat je een entiteit bent die anders is dan en gescheiden van het licht van Bewustzijn. Deze veronderstelling staat bekend als de ‘persoon’ of de ‘afzonderlijke entiteit’ en lijkt de liefde en het geluk te verhullen die inherent zijn aan het weten van het bewustzijn van zijn eigen wezen.

Deze schijnbare sluier van Geluk is synoniem met het zoeken naar verlichting of het gevoel onverlicht te zijn. Dat zoeken is wat de afzonderlijke entiteit is, niet wat het doet.

Als we ons eenmaal hebben voorgesteld zo’n entiteit te zijn, is de zoektocht naar geluk in de objecten van de geest, het lichaam en de wereld onvermijdelijk. Als we geloven en voelen dat we zo’n entiteit zijn en tegelijkertijd geloven dat we niet op zoek zijn, houden we onszelf gewoon voor de gek. We hebben simpelweg de subtiele afwijzing van het nu, wat een andere naam is voor het zoeken, begraven onder een nieuw geloof in non-dualiteit.

Vroeg of laat komt er echter een einde aan deze zoektocht, in de meeste gevallen als gevolg van lijden en onderzoek. Op dit punt kunnen we ons als het ware omdraaien en vragen stellen aan degene die op zoek is, alleen om te ontdekken dat hij totaal niet bestaat. In plaats daarvan, waar we verwachten het ‘ik’ van het gescheiden zelf te vinden, vind je alleen het ‘ik’ van bewustzijn.