Ontwaken Richard Rose

Verhaal 1

Het gebeurde in Seattle, Washington – ik was toen dertig jaar oud en ik was er al verschillende keren klaar mee geweest met wat ik aan het doen was. Ik was bezig geweest met yoga en andere dingen, en tussen mijn achtentwintigste en dertigste had ik het verschillende keren opgegeven en wenste ik dat ik uit kon gaan, dronken kon worden en het allemaal kon vergeten. Ik was zelfs naar Seattle gegaan om te trouwen en ik zou stoppen met de hele boel. Ik zei: ‘Als ik ga trouwen, gooi ik het weg – vergeet het.’

Maar terwijl ik daar was, nam ik een baan en weer trok ik naar de bibliotheek. Ik ben daar beneden boeken aan het lezen over yoga en doe mijn yoga-oefeningen – ik probeer die twee te combineren, de alledaagse wereld en deze mentale drive die ik had. Ik denk dat dit de katalyserende factor was die de ervaring veroorzaakte – proberen deze twee samen te brengen. Ik kan het mis hebben.

Ik had een kamer in een soort appartementenhotel en ik kwam elke dag thuis, ging rechtop op het bed zitten met mijn voeten onder me opgetrokken, mediteerde en dacht na. Dus deze specifieke dag zat ik daar – en ik begon pijn te krijgen in de bovenkant van mijn hoofd, precies in het midden van de top. De pijn werd erger – het werd zelfs zo erg dat ik begon te huilen.

Tranen begonnen uit mijn ogen te komen. Ik kon er niet tegen en ik dacht: ‘Oh jongen, drieduizend mijl van huis en alles gaat ineens mis. Dat is wat er gebeurt.’ Ik dacht dat ik een beroerte zou krijgen of misschien gek zou worden. Omdat ik niet dacht dat het vanzelf zou stoppen.

En toen was er een soort van plotselinge verandering, waarin ik niet langer boven de bergen was – nu kon ik de hele mensheid zien. Ik wist dat ik alleen maar hoefde te kijken waar ik maar wilde, en ik kon elke man zien die ooit leefde of zou leven. Er bestond niet zoiets als tijd. Deze mensen leefden nu allemaal – ik hoefde ze alleen maar te controleren als ik dat wilde.

Dus ik keek en ik zag mezelf. Ik zag mezelf worstelen daar beneden – Richard Rose – ik kon zijn hele levenspatroon zien. Ik ben nog steeds in een soort astrale projectievorm, ik ben nog steeds erg gehecht aan het lichaam, aan deze mensen, en ik voel enorm veel verdriet. Enorm veel verdriet om deze ogenschijnlijk zinloze strijd.

Toen besefte ik dat ik zowel de mensheid als mijn individuele zelf was, en dat ik alles was. En in een oogwenk besefte ik dat de mensheid niet bestond en dat ik niet bestond. Maar dat ik in het niets en alles bestond, oneindig. En hoe lang dit duurde, kon ik niet controleren, omdat ik alleen was en toen ik terugkwam was het nogal traumatisch. En ik bleef een aantal dagen zo, omdat het net zo moeilijk is om terug te komen als om erin te gaan.

Verhaal 2

Maar ik was me op het hoogtepunt van deze pijn bewust dat ik uit het hotelraam ging. Ik was me ervan bewust dat ik mensen zag die op dat moment op straat waren, behalve dat ik boven hen stond. Dit was overigens bij daglicht, het was geen nacht. Mijn raam keek uit op de Cascade Range van met sneeuw bedekte bergen. En ik keek ernaar alsof ik in een vliegtuig zat en alles onder me bewoog.

Toen, op het hoogtepunt van de pijn, ging ik uit het raam. Ik kon de Cascade-bergen vanuit mijn hotelkamer zien, en daar ging ik – uit het raam naar die met sneeuw bedekte bergen. Ik was me ervan bewust dat ik mensen op straat zag, behalve dat ik boven hen was. Ik ging over de mensen heen, en toen over de bergen, en ik keek ernaar alsof ik in een vliegtuig zat. En ik bleef maar gaan tot ik bij een ‘plaats’ aankwam. Ik zeg niet waar. Het was niet de Cascades of ergens anders dat ik kende. Het was niet op aarde omdat er geen zon was, er was geen lucht. Ik kwam gewoon op een hoge plek aan, en het was prachtig.

Op een gegeven moment werd ik me ervan bewust dat ik me in een oorzakelijke realiteit bevond – dat ik de reden was voor het bestaan ervan, en dat alles wat ik dacht werkelijkheid werd. Met andere woorden, ik zorgde ervoor dat dingen gebeurden, gecreëerd werden, louter door ernaar te verlangen of erover na te denken. De gedachte ging toen door me heen dat ik alleen was en dat ik de mensheid wilde zien – alles. En daar verscheen ze, de hele mensheid – iedereen die ooit had geleefd, iedereen die ooit zou leven – een enorme berg onder me bedekkend, over elkaar heen kruipend als maden, proberend de top te bereiken. Ik was me ervan bewust dat ze verwikkeld waren in een strijd die een ultiem spiritueel doel had, maar hun onmiddellijke leven en genoegens waren zielig. Ik was op dat moment nog steeds in een soort astrale vorm – nog steeds gehecht aan het lichaam en aan deze mensen – en dus voelde ik een enorme hoeveelheid pijn en verdriet om hun schijnbaar zinloze strijd.

Ik wist dat ik, als ik dat wilde, individuen kon uitkiezen, dat ik elke man of vrouw kon zien die ooit leefde of ooit zou leven. Omdat er niet zoiets als tijd bestond. Deze mensen leefden nu allemaal – ongeacht de aardse tijd voor hun leven – en het enige wat ik hoefde te doen was ze uitkiezen, als ik dat wilde.

Dus dacht ik bij mezelf, als iedereen daar beneden is, dan moet ik daar ook zijn. En ik keek naar beneden in de madenhoop, en daar was ik – Richard Rose. Ik zag mezelf worstelen daar beneden, de kleine man, gelukkig in zijn illusie. Ik kon zijn hele levenspatroon zien.

En toen dacht ik: ‘Als dat Richard Rose is daar beneden, wie kijkt er dan allemaal?’ Plots realiseerde ik me dat ik niet alleen mijn individuele zelf was. Ik was de hele massa van de mensheid en de waarnemer keek ernaar – ik was alles. Dit stuwde me naar een onbeschrijfelijke ervaring van wat ik alleen maar ‘Alles-heid’ kan noemen.