Gedichten van Vasalis

De verstekeling
Bij ieder schepsel dat geboren wordt
zijn reis begint, scheept in het ruim de dood
zich in. En maakt zich met het schip vertrouwd,
dringt door tot iedre vezel van het hout
de romp, de mast, de kabels en de touwen
de zeilen hurkend in de reddingsboot.
Het zijn de kleine kindren die hem kennen
en hem niet vrezen: zij zijn nog pas zo kort
geleden uitgevaren uit hun nacht
ze moeten aan het daglicht nog zo wennen.
Zoals schaduw bij het licht behoort
zo leeft de dood binnen het leven voort.
Nachtelijke ontmoeting
Uit de sneeuwwitte weide verrijst onverhoeds
een paard. Hoe het staat, wat het doet
vindt plaats. Nu. Voorgoed.
Adem licht, deze teug, dit paard, deze wei
gaan voorbij, maar zijn, deze nacht, deze pijn
een keer samen met mij. Nu. Voorgoed.
Ochtend
Zo kalm als op een vlot van helderheid
en rust, gelegen op mijn rug
dreef ik de ochtend in, het ochtendlicht,
land, lucht, en water waren één en zonder dat
er van hun eigenheid maar iets verloren ging
Sub finem
En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten –
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.
Vasalis
![]()